geschiedenis van irota

Waarschijnlijk is het dorp rond 1450 gesticht door een Slavisch-sprekende bevolkingsgroep, Roethenen of Roesynen genaamd. Tot aan het eind van de negentiende eeuw werd op de dorpsschool van Irota nog lesgegeven in het Roetheens. Hoewel de huidige bewoners de taal niet meer machtig zijn – op enkele kerstliederen na – wordt de oorspronkelijke etnische achtergrond nog steeds gekoesterd. Het dorp heeft dan ook een aantal vertegenwoordigers, die specifiek het Roetheense belang dienen. Dit komt tot uiting in gezamenlijke vieringen of uitstapjes. Ook de achternamen van veel dorpsbewoners verwijzen nog naar de Slavische achtergrond: wie een bezoek brengt aan het plaatselijke kerkhof, zal opmerken dat veel namen op de zerken eindigen op ‘-kó’ of ‘-szki’.

Sterk verweven met de etnische achtergrond is het Grieks-Katholieke geloof, dat kortweg neerkomt op het feit dat de gelovigen de riten van de Orthodoxe kerk volgen, maar de Paus van Rome erkennen. Geestelijken kunnen, anders dan hun Rooms-Katholieke collega’s, in het huwelijk treden en een gezin stichten. Pakweg de helft van de dorpsbewoners behoort tot de trouwe kerkgangers. Iedere zondag wordt de mis opgedragen in de kerk op de heuvel, terwijl gedurende de week meermaals kleinere vieringen plaatsvinden in de kapel aan de hoofdstraat.

Irota was niet altijd zo klein als vandaag de dag. Een van de nestors van het dorp, Gyula Stuhán, herinnert zich nog tijden dat Irota 450 inwoners telde. Dat aantal is teruggezakt tot rond de 70, met dien verstande dat het in de zomer een stuk drukker is, wanneer kinderen bij hun grootouders komen logeren of gezinnen vakantie komen vieren in het huisje dat zij van hun ouders of grootouders hebben geërfd. De meeste inwoners, voor zover niet met pensioen, zijn werkzaam in landbouw en bosbouw. De dorpsschool en het winkeltje zijn sinds jaar en dag buiten bedrijf: kinderen moeten nu naar de lagere school in het nabijgelegen Lak en daarna naar de middelbare school in het verder gelegen Edelény. De winkelfunctie is door verschillende dienstverleners overgenomen: iedere week komt meermaals de bakker, de banketbakker, de groenteboer, het rijdende postkantoor en de gasflessenman langs. Voorts zijn de dorpsbewoners grotendeels zelfvoorzienend. Er wordt veelal nog thuis geslacht, honing gemaakt, groente en fruit geteeld en kippen gehouden.

Het traditionele – en geïsoleerde – karakter van het dorp vindt zijn oorsprong in het feit dat het, in het Hongaars, een ‘zsákfalu’ is: een dorp aan het eind van de weg, zonder doorgaand verkeer.

controleer
beschikbaarheid